Gedichten en carnaval

Carnaval, voor sommigen onder ons een jaarlijks spektakel sinds jongs af aan en voor anderen iets wat ze eigenlijk niet echt kunnen waarderen. Toch is carnaval een nationale feestdag en is het onvermijdelijk dat deze elk jaar opnieuw aanbreekt. Een hele menigte loop in te gekke carnavalskleding. Sommige beter verkleed dan andere, maar allemaal even enthousiast. Vrolijke en ietwat chaotische muziek, waar net zo vrolijk en chaotisch op gedanst wordt… carnaval is een beetje een vreemd festival, met z’n allen in de optochthal, dansen, springen en zingen overal.

Ja zoals jullie al merken heeft carnaval ook z’n plek gevonden in de dichtwereld. Het is echter moeilijk voor te stellen dat dit feest waarbij vaak te veel wordt gedronken en voor velen een lomp imago heeft, iemand kan inspireren tot mooie poëzie. Gelukkig is niets minder waar: het is Toon Hermans gelukt een poëtisch kunstwerk te maken met carnaval als onderwerp.

Toon Hermans is geboren op 17 december 1916 in Sittard onder de volledige naam Antoine Gerard Theodore Hermans. Hij behoorde samen met Wim Sonneveld en Wim Kan tot de Grote Drie van het Nederlandse cabaret in de jaren vijftig, zestig én zeventig. Hij dankte zijn grote succes aan zijn onemanshows, maar dat deed niets af aan het feit dat hij ook één van de meest gelezen Nederlandse dichters was. Zelf noemde hij zijn gedichtjes liever zijn versjes, dit vanwege de kortheid van de gedichten. Deze ‘versjes’ van Toon Hermans kenmerken zich door toegankelijk taalgebruik, hoewel er veel overpeinzingen en observaties in zijn verwerkt die altijd erg raak zijn geformuleerd.

Opgegroeid en opgetogen in Limburg, heeft hij altijd al een carnavalshart gehad. Één van zijn bezigheden was dan ook dat hij aan Noord-Nederlanders uit probeerde te leggen wat de kracht en het belang van het carnavalsfeest waren. Zo heeft hij een keer in een radio-interview het volgende over carnaval gezegd gezegd: ‘mensen worden werkelijk zichzelf en alle gêne en alle soort frustratie valt weg, ze zijn gewoon veel echter en openlijker’. Deze opvatting is dan ook terug te zien in zijn carnavals gedicht:

er is geen aangenamer val
dan een carnaval
je valt namelijk naar boven
het is een val in de blijheid

het duffe snoer
dat je bindt
aan het monotone
springt kapot

je vat een pint
je vat er twee, drie, vier
je vat een vat
en de sleur heeft geen vat meer op je

het spettert muziek
in de smalle straten
het regent zoenen
in het warme café

je danst, je doet, je dartelt als een kind
je bent zigeuner of prins
potkachel of schemerlamp
en je bent… jezelf

je ontdekt de zin van de onzin
en als je niet oppast
heb je zodra de vasten begint
vaste verkering

ik heb na dit carnaval
zo’n bierlucht in mijn jekker
die snuif ik telkens op
en denk: wat was dát lekker!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*